DE KLEUTERSCHOOL
Een dag uit het kleuterleven. vervolg->
DE MELKBOER
Toen ik 4 jaar was en als kleuter nog onbevangen rond het huis zwierf, ontdekte ik dat er iedere dag een grote dikke man met licht bruin jasje een handkar voort duwde. vervolg->
...deze deur was heel erg voor mij. Al mijn vrijheid werd beperkt. Er was nog een andere deur die kwam uit op de speelplaats.
De meeste nonnen vond ik eng.
Zelf had ik niet het idee dat ik iets verkeerds deed. Maar ik moest wel vaak met de armen-over-elkaar zitten. Dan priemden die boze ogen naar mij.
Wat mij dan opviel was dat de wangen een beetje rood opbolden door het witte kapje. Gelukkig is mijn moeder geen non dacht ik. Spelen met andere kinderen vond ik wel leuk alleen weet ik niet meer wie dat waren. Vaak mislukte het samen spelen omdat ik moest doen wat de ander wilde. Ik was een beetje verlegen, bangig en ook wat jonger.
Mijn gebouwen van blokken waren waarschijnlijk zo bijzonder dat het nooit lang stond. Er was altijd wel iemand die het weer stuk maakte. Wat ik echt vreselijk vond was het toilet. Ze waren wel op maat maar zonder bril, dat vond ik vies en het stonk naar vies. Zelfs plassen kon ik daar niet. Tijdens het speelkwartier buiten zocht ik, als ik geluk had, een plekje tussen een hok en de heg. Mijn plas ophouden heb ik daar geleerd.
Wat wel leuk was: dat pontje, echt varen op het grote water. Ik werd door mijn jongste zus mee genomen. Die betaalde dan de overtocht voor de hele week.
Alleen bij het lopen treuzelde ik. Er is altijd wel wat te zien of op te rapen. Marga vond het wel leuk op school, zij wilde op tijd komen. Ik had geen idee van tijd. Zo gebeurde het dat ik wel eens alleen achter bleef. Dan kon ik, of weer terug naar huis, of gewoon alleen verder. Er was niemand bij het pontje, ik was de enige. "Je geld" vroeg de schipper met uitgestoken hand. "Dat heeft mijn zusje al betaald".
"Dat zeggen ze allemaal, zonder geld kan je niet mee". De man kende Marga wel maar mij niet.
Dus moest ik omlopen. Dat was iets wat ik niet erg vond, er gebeurde genoeg. Er lagen schepen aan de wal. Die losten zand, graan. Op dit moment waren er geen bieteboten, maar als die er waren lag het helemaal vol met schepen. Dan was het feest, veel brugwachten en kijken hoe de schepen varen.
Maar nu was de wandeling ook fijn. De winkels aan de dijk zetten hun spullen buiten. In de ijzerwinkels was het al druk. Ook de geur die daar uit kwam vond ik plezierig. De groenteboer die met paard en wagen op pad ging. Bij de slager werden kalfjes gebracht. De geur van de bakker met al dat lekkernij in de etalage. Allemaal dingen die ik nodig moest bekijken. Kleuterschool? Dat was ik al helemaal kwijt.
Dan de brug over. Die mooie, hoge, grote nieuwe brug. Hij was nog geschilderd door de vader van een buurjongen. Links over de brug lagen bootjes op het land. Die waren van de botenbouwer met de herdershond. Moeilijk voorbij te gaan zonder te kijken. Er waren grote mannen aan het timmeren. Met een trapje klom er een de boot in. Die gaat de gaten dichten.
Met een blijde lach ging de tocht verder. Bij het bruggetje over de Polanenkade even naar het stromende water kijken. Het vreemde was dat het de ene keer weg stroomde en de andere keer terug. Aan het eind van dit water was een gevaarlijke draaikolk. "Daar is een jongen verdronken hoor, pas op!" werd er over gezegd. Genoeg gekeken, verderop het kerkje van dat andere geloof, mooi kerkje met rode steentjes. Dan de straat in waar dinsdagochtend altijd markt was, nu was het verlaten. Niks moois ook want de gedachten aan de kleuterschool drongen dan weer door. Die was ook zichtbaar. Aan het eind van de straat staat een boom met een groene schutting. Daarachter is het. Links een hele lange heg van Meidoorns met daarachter de moestuin van het klooster.
De deur in de schutting was allang dicht. Mama had gezegd toen ik voor de zoveelste keer weer thuis kwam, dat ik moest aanbellen bij de deur net om de hoek. Deze keer deed ik dat ook, althans, ik deed een poging. Ik kon er niet bij, gelukkig. Dan kon ik weer naar huis. Heerlijk geen school, naar huis.
Foto's van de kleuterschool net voor de sloop. Te zien bij FOTOGRAFIE onder ansichten > dezelfde plekjes
Toen ik 4 jaar was en als kleuter nog onbevangen rond het huis zwierf,
ontdekte ik dat er iedere dag een grote dikke man met
licht bruin jasje een handkar voort duwde.
Zwaar werk dat zag ik wel want de banden van de bakfiets vormde een diep spoor in de zandachtige grindweg. De man had een rood gezicht, deels van de inspanning en deels omdat hij rossig haar had, dat recht achterover gekamd was. Hij had een zeer bleke huid die bij de minste zon rood verbrandde. Als hij dan de kar voort duwde zag je zijn inspanning. Ik wist toen al dat zo iemand hulp nodig had. Mijn kleine handjes hielpen al duwend aan het achterspatbord. Als we dan even verder op weer stilstonden draaide de man zich om en keek mij aan. Zijn gezicht was rond en groot en tussen zijn ontblootte tanden klemde een sigaar. Zonder zijn mond te bewegen kwamen er woorden uit het gezicht: “dat had ik nou net effe nodig”.
Hij draaide zich om en pakte een grote zilverkleurige emmer van de kar en zette die ernaast op de grond. Hij rommelde wat met bussen en sloeg er behendig een deksel af. Met zichtbare inspanning kantelde hij de bus en liet een grote straal witte melk in de emmer lopen. Net voordat de emmer vol was duwde hij de bus weer recht. Met een klap werd de deksel er weer op gezet. De maatbeker werd aan de binnenkant van de melkemmer gehangen. Er kwam ook nog een deksel met uitsparing op. Met de emmer aan de rechterhand en een hengselmand aan de linker arm stapte de melkboer zichtbaar gebukt onder de zware last naar het pad, trapte voorzichtig het hekje open. Bij de deur zette hij de melkemmer neer en trok aan de bel.
Ik was hem voorzichtig op een afstandje gevolgd. Nu wachtend keek hij mij aan. Ik was hem gevolgd omdat ik wilde weten wat er in die mand zat. Die melk snapte ik, maar die mand?? De deur ging open en een arm reikte een zwarte pan aan. Met de pan in de linkerhand bukte de melkboer, met zijn rechterhand hing hij de deksel van de emmer aan het haakje van de hengsel en behendig schepte hij met de maatbeker de pan vol. Uit de deuropening verschenen nu twee armen met een deksel. De twee handen pakten de pan aan en verdwenen naar binnen. De melkboer schoof de mand wat voor zijn buik, maar er kwam niks uit. De deur ging dicht en ik draaide mij snel om. Terug naar de weg, terug bij de bakfiets.
Ik draaide mij om en zag dat de melkboer naar het volgende huis ging. Hoewel mijn nieuwsgierigheid groot was, bleef ik toch maar bij de kar. Ik wilde de melkboer niet in de weg lopen en bedacht mij toen een nieuwe taak: ik moest op de kar passen.
Ik zette mijn voeten een beetje uit elkaar en stopte mijn handen in mij jas zakken.
Omdat het nog vroeg in het voorjaar was, had ik van mijn moeder een dikke jas aan gekregen met capuchon. Ik kon daardoor niet goed zien aan mijn zijkanten. Ik had toch al een hekel aan die capuchon, dus die moest ik nu wel af doen. Dat was lastig want die was vastgebonden door een das. Met veel moeite kreeg ik die los. Toen werd mijn hoofd bevrijd en ik kon gewoon rondkijken. Het was een lege straat met jonge bomen die niet lang geleden door mannen in zwarte pakken gesnoeid waren. Alle kleine takjes er af geknipt; wat overbleef was een lange rij kale, takkige boompjes. Grind stoepen met stoeprand. In het najaar zou er begonnen worden met de echte bestrating. De oorlog had de dorpsvernieuwing stilgelegd. Huizen in dit gedeelte van het dorp waren gebouwd in 1933 vanwege de crisis was er wel provisorisch riool aangelegd. Het zag er mooi uit, maar was niet af.
Van echt bewaken was geen sprake want er was niemand. Toen de melkboer terug kwam met de veel lichtere emmer en de mand, zag hij mij staan. Zette de melkemmer en de mand op de kar. Hij keek mij aan en zei: “je hebt de kar goed bewaakt.” Nog steeds met de sigarenpeuk in de mond. Hij pakte zijn potlood achter zijn oor vandaan en haalde een boekje uit zijn zak. Zijn lippen bevochtigden het puntje. Hij noteerde wat in het boekje, stopte het boekje en het potlood weer terug en stak de sigarenpeuk weer aan. Blies grote rookwolken uit, zuchtte diep en plaatste zichzelf weer achter de kar. En ik – nog steeds nieuwsgierig naar wat er nou in die mand zat - haastte mij weer achter bij het spatbord. Zette mijn klompjes in het zand en duwde met alle macht mee. “Goed zo” zei hij alleen. Maar ja, hij ging nu bij het einde van de straat naar rechts. Ik mocht de straat niet uit. Dat had mijn moeder mij op het hart gedrukt. “Je mag wel naar buiten maar niet verder dan de familie Blees en tot de hoek, Owee als je dat wel doet.” Die beslissing was zwaar want ik wilde weten wat er in die mand zat. Ik kon de melkboer niet in de steek laten met zijn zware kar. Toch woog moeders wet zwaarder. Ik moest echt afhaken. Precies op de hoek en niet verder liet ik het spatbord los. Alsof de melkboer het voelde zei hij zonder omdraaien: “bedankt hè?” Daar stond ik dan, met gewetensnood: ik had hem in de steek gelaten.
Nog steeds de onbeantwoorde vraag wat er in de mand zit. Ik kon het niet langer aanzien, dus draaide mij om en rende naar huis. Bij de achterdeur klompen uit en snel naar binnen. “Mamma, mamma!” roepend vond ik mijn moeder boven in de slaapkamer met lakens in haar hand. “mamma ik wil bij de melkboer werken. Ik wil melkboerenjongen worden.” Zij ging door met haar werk en zei vriendelijk: “wat fijn jongen, dat is leuk. Mag dat ook van de melkboer?” Dat wist ik niet, maar ik vertelde wat ik allemaal had gedaan. Ze trok mij mijn jasje uit en liet mij haar helpen bij het bed opmaken. Zo tuttelde ik de rest van de dag samen met mijn moeder. De andere kinderen kwamen uit school en hun verhalen van de dag overstemde mijn avontuur. Gelukkig kon ik het later aan tafel bij het eten vertellen.
Naar mijn idee was iedereen diep onder de indruk van mijn plannen melkboerenjongen te worden. Het waren 5 zusjes die hun kleine broertje eigenlijk wel een belangrijke taak in het leven gunden. Mijn oudste broer was daar niet bij want die was in het juvenaat waar hij priester werd. Na het afwassen, waarbij mijn hulp niet nodig was, ging ieder zijn eigen dingen doen. Ik zelf kon nog niet zoveel, alleen maar samen met mijn vader naar de radio luisteren en wat plaatjes kijken in de Katholieke Illustratie.
Het werd bedtijd en Jantje moest gewassen worden. Dat was voor mij niet leuk. Dat koude water en ik snapte niet waarom het moest gebeuren. Ik was niet vies en daarbij was ik vanmorgen ook al gewassen. Nu ging het anders, mama kon goed manipuleren: “als je melkboerenjongen wil worden dan moet je wel schoon zijn hoor, want van een vieze melkboer koopt niemand melk.” Dat hielp echt. Gedwee liet ik mij wassen. Pyjama aan en naar bed. Eerst nog iedereen welterusten wensen. Het avondritueel waarvan het bidden al was afgeschaft.
In bed verzon ik hoe ik eruit zag als melkboerenjongen. Een kaki jasje met boekje in de linkerzak losgeld in de rechter. Geel potloodje achter mijn oor. Keurig gekamde haren, bruine manchester broek, gele klompen. Netjes. Zo moest het. Maar zou dat wel kunnen dat potloodje achter mijn oor? Dat werd een heel probleem. Ik kon niet meer slapen. Dat moest ik uitproberen. Hoe moet dat dan? In mijn kamertje was niks dan wat kleding en het wasrekje overtollig beddengoed, wat dozen en een stofzuiger. Een strijkplank. Van alles, maar geen potlood. Dan toch maar naar beneden.
Ik opende de kamerdeur en werd door het licht verblind. Alle ogen zijn op mij gericht. Verbaasd en zo van wat moet je hier “je hoort op bed te liggen.” Ik kan niet slapen. Op dat moment weet ik niet meer waarom ik daar ben de onzekerheid slaat toe en ik ga huilen. Mag daardoor even bij mama op schoot. Die troost mij. Als ik dan weer een beetje bij kom weet ik weer waarom ik beneden ben. Tussen de tranen door zeg ik dat ik een potlood achter mijn oor wil proberen. Iedereen kijkt mij aan en gaat lachen. Waardoor ik weer ga huilen en laat mijn hoofd verdwijnen tussen moeders borsten. Ik schaam mij. Waarom weet ik niet, maar ongemakkelijk is het wel. Robertie die net aan het schrijven is geeft mij haar potlood. Dat troost mij en zonder om te kijken schuif ik het potlood achter mijn oor. Het blijft zitten maar als ik mij omdraai valt het er af. Teleurgesteld kijk ik er naar. Mijn vader heeft de oplossing: een klein potloodje. Dat blijft wel zitten. Ook als ik mijn hoofd beweeg. Met het potlood achter mijn oor klim ik de trap weer op, Kruip met een tevreden glimlach mijn bedje weer in.

